De machten uitdagen
De vraag die gesteld moet worden is niet hoeveel Nederland nog moet investeren in ontwikkelingssamenwerking, maar hoe ontwikkelingssamenwerking eruit moet zien in deze nieuwe wereld.
Het nieuwe kabinet Jetten sprak in het coalitieakkoord nog hoopvol over ontwikkelingssamenwerking: het beloofde de bezuinigingen gedeeltelijk terug te draaien. Maar nu blijkt uit de voorjaarsnota dat het om een valse belofte gaat. Er komt vanaf 2027 weliswaar structureel 257 miljoen euro per jaar bij, maar dat geld is helemaal niet gereserveerd voor internationale ontwikkelingsdoelen. Het geld zal vooral gebruikt worden voor de opvang van asielzoekers in Nederland, zo blijkt uit doorrekeningen van het CPB.
Ook een deel van de hulp aan Oekraïne moet uit ontwikkelingsbudget bekostigd worden. Partos, de branchevereniging van ontwikkelingsorganisaties, spreekt van schande en pleit voor het hoog houden van de VN-doelstelling waarbij ontwikkelde landen ernaar streven 0,7% van hun bruto nationaal inkomen (BNI) te besteden aan officiële ontwikkelingshulp (Nederland besteedt nu maar 0,44% ) en voor het investeren in ontwikkelingsdoelen.
Veel verder dan deze welles nietes gaat de politieke discussie niet en raakt zelden meer aan het waarom. Waarom hebben we al die jaren aan ontwikkelingssamenwerking gedaan? En waarom zouden we het wel of niet moeten voortzetten? Juist in dit waarom ligt het antwoord verscholen op de vraag waarom progressief Nederland zich hard moet blijven maken voor internationale samenwerking.
Universele mensenrechten en de Internationale Orde
Dus: waarom begonnen we ooit met ontwikkelingssamenwerking? De wortels van internationale ontwikkelingssamenwerking liggen bij een initiatief van de toenmalige Amerikaanse president Truman. In 1949 kondigde hij het Point-Four Program aan, een grootscheeps programma om ‘onderontwikkelde landen’ te laten profiteren van wetenschappelijke vooruitgang en industriële welvaart van Amerika. Westerse landen moesten het voortouw nemen om tot wereldwijde vrede en welvaart te komen. Het Expanded Programme of Technical Assistance van de VN, waar ook Nederland met het westerse verantwoordelijkheidsgevoel aan meedeed, vloeide voort uit dit initiatief.
Ook vanuit de samenleving was er steeds bredere roep tot internationale solidariteit. Zo ontstond het maatschappelijk initiatief de Pleingroep, dat mensen op de hoogte bracht van de ongelijkheid in de wereld. Deze brede beweging pleitte ervoor de welvaart eerlijker te verdelen. Na jarenlange wederopbouw, soberheid en geleide loonpolitiek begon Nederland in de jaren vijftig uit het dal te klimmen. De watersnoodramp in Zeeland van 1953 had Nederlanders het belang van internationale solidariteit doen inzien. Van alle kanten ontving Nederland in deze moeilijke tijd ondersteuning van andere landen. Nu was het aan ons, stelde de Pleingroep, om ons in te zetten voor hulpbehoevenden elders in de wereld.
De beweging groeide in 1956 uit tot de Nederlandse Organisatie voor Internationale bijstand, ook wel de Novib. Het was, de eerste Nederlandse ontwikkelingsorganisatie. Al snel volgden andere organisaties. Ze konden op brede steun vanuit de samenleving rekenen. Het waren progressieve jaren waarin veel Nederlanders betrokken waren bij ontwikkelingssamenwerking, via wereldwinkels, landencomités en acties van kerken en scholen.
Het waren ook de jaren dat ontwikkelingslanden ernaar streefden zich te bevrijden van economische en politieke machten in het buitenland. Daar moesten ze in ondersteund worden, vonden de Novib en andere ontwikkelingsorganisaties. Tegelijkertijd moesten mensen in ontwikkelingslanden zich ook kunnen bevrijden van economische, politieke, sociale en culturele normen en structuren die hen binnen de eigen samenleving knevelden. Denk aan dictatoriale regimes, vrouwenonderdrukking of uitsluiting van minderheden. Juist de groepen die daar tegenop stonden moesten ondersteund worden. Ontwikkelingssamenwerking en ontwikkelingshulp vloeiden dus voort uit westerse systeemkritiek.
De solidariteitsgolf zette zich voort en in 1970 spraken de OESO-landen af dat ze elk jaar 0,7 procent van hun Bruto Nationaal Product zouden besteden aan ontwikkelingssamenwerking. Het was een vorm van internationale belastingafdracht, met als voornaamste doel herverdeling ten behoeve van sociale en economische ontwikkeling van de allerarmste landen. Zo beoogden de landen om wereldwijd bestaanszekerheid voor iedereen te verwezenlijken. Grotere gelijkheid in de wereld zou volgens hen ten goede komen aan stabiliteit, veiligheid en vrede.
Zowel de Nederlandse overheid als samenleving pleitten voor democratisering, herverdeling en meer gelijkheid. De protestacties tegen de Vietnamoorlog, tegen racisme, de ‘baas in eigen buik’ beweging, de bevrijdingsbewegingen: het kwam allemaal samen in een verzet tegen machtsverhoudingen die als oneerlijk werden ervaren. Maar ook de wereldeconomie was toe aan nodige hervorming. Ontwikkelingsorganisaties pleitten voor eerlijkere handel en voor andere productieverhoudingen die minder beslag zouden leggen op schaarse grondstoffen. Ontwikkeling, wanneer je het zou afpellen tot de kern, betekende in de naoorlogse jaren bevrijding, of beter gezegd: zelf-bevrijding.
In Nederland kregen ontwikkelingsorganisaties vanaf 1973 een tweede rol binnen de democratie. Ze werden onderdeel van het maatschappelijk middenveld- het geheel van organisaties dat zich bevindt tussen de overheid en de burger, zoals vakbonden, onderwijs- en landbouworganisaties. Dat maatschappelijk middenveld had als taak om op te komen voor de belangen van haar achterban én tegenwicht te bieden aan de beslissingen van de overheid die haar achterban aangingen.
Ontwikkelingsorganisaties werden gezien als de belangenbehartigers voor het mondiale Zuiden en de waakhonden van het Nederlandse buitenlandbeleid, bijvoorbeeld op het gebied van handelsbeleid, mensenrechten of klimaat. Opeenvolgende ministers financierden organisaties om als waakhond op te treden. In twintig jaar tijd werd ontwikkelingssamenwerking onderdeel van de liberale democratie, uitgewerkt in beleid en gedragen door een maatschappelijk middenveld.
Pragmatische en politieke motieven
De praktijk kwam alleen vaker niet dan wel overeen met het kernidee van ontwikkeling. Zo was het ontwikkelingsbeleid vaak een combinatie van (welgemeend) eigenbelang als een oprechte uiting van internationale solidariteit. Soms was dat eigen belang verhuld, andere keren opzichting. Zo was het geen geheim Nederland in de jaren ’50 ontwikkelingssamenwerking ook zag als een kans om ambtenaren die in Indonesië hadden gewerkt aan alternatief werk te helpen. En in de jaren ‘60 diende het als een vorm van soft-power om de opmars van het communisme in het mondiale Zuiden te stoppen. Niet zelden werd ontwikkelingsgeld bovendien gebonden aan belangen voor het Nederlandse bedrijfsleven.
Kortom, pragmatische en politieke motieven speelden ook een rol in ontwikkelingsbeleid en zouden dat altijd blijven doen. Afhankelijk van de samenstelling van het kabinet overheerste in de gloriejaren van de ontwikkelingssamenwerking afwisselend het altruïsme of het eigen belang.
Ook de ontwikkelingssector die begonnen was als een maatschappelijke beweging veranderde over tijd. Ze kreeg financiële ondersteuning van de Nederlandse overheid; een bevestiging van haar relevantie, maar het maakte haar ook afhankelijk van de grillen van het beleid. Bovendien moesten ontwikkelingsorganisaties in ruil daarvoor ook verantwoording afleggen. Ze professionaliseerden, ze namen experts in dienst en werkten niet langer met louter vrijwilligers. Het leidde ertoe dat de sector aan betrokkenheid van de maatschappij verloor.
Sommige organisaties lieten zich in de jaren 2000 meeslepen met de neoliberale wind en bepleitten dat de markt de oplossing kon bieden voor veel problemen rondom armoede. Ze zetten zich bijvoorbeeld in om kleine boeren te helpen voldoen aan de kwaliteitseisen van wereldmarkten en (westerse) bedrijven. Daarmee daagden ze niet langer de systeemstructuren die ongelijkheid veroorzaakten uit te dagen.
Op dit moment wijzen alle pijlen in de richting van een ontwikkelingssamenwerking dat onderdeel wordt van een breder veiligheidsbeleid. In het beste geval draagt zo’n vorm van samenwerking bij aan meer weerbaarheid in landen die nu al kampen met de effecten van klimaatcrises en oorlog. In het slechtste geval betekent het dat ontwikkelingssamenwerking ingezet wordt als een soft-power instrument om banden aan te halen met landen die waardevolle grondstoffen herbergen of potentiële markten kunnen bieden. Eigenbelang, staat dan (wederom) centraal.
Maar het belangrijkste: in geen van beide benaderingen worden machtsstructuren uitgedaagd, zoals ontwikkelingssamenwerking ooit meende te willen doen.
Terug naar de kern
De wereld verandert in rap tempo. De mondiale orde wankelt. Democratieën wereldwijd staan onder druk en er zijn steeds meer conflicten. De vraag die gesteld moet worden is niet hoeveel Nederland nog moet investeren in ontwikkelingssamenwerking, maar: hoe moet ontwikkelingssamenwerking eruitzien in deze nieuwe wereld?
Het antwoord schuilt in dat de kern weer centraal gezet moet worden: ontwikkeling als bevrijding. Bevrijding van economische, culturele en politieke machten die de minst bedeelden belemmerden zichzelf te ontwikkelen.
Was ontwikkelingssamenwerking in de beginjaren gericht op herverdeling, ontwikkelingssamenwerking van de toekomst zal zich moeten toespitsen op het tegengaan van de oorzaken van ongelijkheid vandaag de dag. Dat zijn globale crises: de klimaatcrisis, oorlogsdreiging, toenemende armoede, de noodzaak te vluchten voor onheil, de erosie van democratie en mensenrechten en de ontmanteling van de rechtsorde in de wereld. Het vraagt om een ontwikkelingssamenwerking die strijdt tegen de machten die deze crises bewerkstelligen of verdiepen.
Wat betekent dat concreet? Dat betekent onder andere: verzet tegen machtsconcentratie in de economie, verzet tegen oneerlijke handelsverdragen en belastingconstructies, verzet tegen antidemocratische bewegingen en ondersteuning van vrije media wereldwijd. Het vraagt om een inzet om ons te houden aan klimaatafspraken, om onze investeringspraktijken te verbeteren en de meest kwetsbaren te beschermen.
Waar ontwikkelingssamenwerking vroeger vooral draaide om geld en steun van noord naar zuid, zal dat in de toekomst verschuiven. Ongelijkheden worden wereldwijd ervaren, ook in ons eigen land. Ontwikkelingssamenwerking zal daarmee globaal in vorm en bereik moeten zijn. Concreet kan dat eruitzien als een globaal netwerk van organisaties en overheden die, ter plaatse, zich gezamenlijk inzetten voor gedeelde doelen.
Het kan zo zijn dat verzet tegen deze machten soms vraagt om verzet tegen de eigen overheid. In zo’n geval zal ontwikkelingssamenwerking onafhankelijk moeten worden van de overheid en financiering elders moeten vinden, mits die niet afleidt van het kerndoel.
Juist tegenover autoritaire regimes en private bedrijfsbelangen kan ontwikkelingssamenwerking wereldwijde gemeenschappelijkheden van mensenrechten en democratie verdedigen.
Ellen Mangnus is onderzoeker bij de vakgroep bestuurskunde van Wageningen University en werkte jarenlang in de ontwikkelingssamenwerking.

